dr. Carina J. Wiekens

Psycholoog

Hieronder vindt u een overzicht van onderzoeksprojecten die in het verleden onder mijn leiding uitgevoerd zijn. Voor meer informatie over onderstaande projecten kunt u contact met mij opnemen. 

Voor recent onderzoek, klik hier.

Afgeronde projecten (2010-2011):

    • Interprofessioneel samenwerken in de brede school 
    • Sinds 1995 is het aantal brede scholen (ook wel 'vensterscholen' genoemd) in snel tempo toegenomen. In een brede school werken professionals van verschillende instellingen (bv. basisscholen, peuterspeelzalen, SKSG kinderopvang, het CJG en de MJD) samen om de ontwikkelingskansen van jongeren van 0-15 jaar te vergroten. Het idee is dat als verschillende instellingen het liefst onder één dak geplaatst worden (wat niet in alle brede scholen het geval is), de samenwerking bevorderd wordt. Door een nauwe samenwerking zou niet alleen onderwijs en zorg beter op elkaar aansluiten, maar ook de overgang van school naar opvang beter verlopen (voor meer informatie, zie www.bredeschool.nl of de website van het lectoraat Integraal Jeugdbeleid).
    • Het bundelen van instellingen lijkt een goed idee, maar werkt het ook in de praktijk? Zorgt nabijheid voor bekendheid en, beter nog, voor meer onderlinge afstemming? Om dit te onderzoeken heb ik voor het lectoraat integraal jeugdbeleid (Hanzehogeschool Groningen) in samenwerking met het ABCG (nu Cedin) onderzoek gedaan naar de interprofessionele samenwerking in een brede school. Concreet is onderzocht in hoeverre professionals van verschillende instellingen elkaar kennen en willen kennen, samenwerken en willen samenwerken. Ook is onderzocht of professionals de kernwaarden van de brede school onderschrijven, of en welke knelpunten ze ervaren en wat ze als successen beschouwen. Er is eveneens een screeningsinstrument ontwikkeld (een korte variant van een van de toegepaste onderzoeksinstrumenten) om de ontwikkeling van brede scholen in Nederland in kaart te brengen en verschillen tussen brede scholen te identificeren.

  • Gedragsbeïnvloeding van jongeren
In samenwerking met de MJD en Matti Blok (projectondersteuner van het Lectoraat Integraal Jeugdbeleid) is een gedragsbeïnvloedingsproject opgezet dat gericht was op het voorkomen van risicogedrag van jongeren uit een achterstandswijk. Het beïnvloedingsproject is uitgevoerd door jongerenwerk en bestaat uit 6 bijeenkomsten voor jongeren van 10-14 jaar. Het doel van het project is dat jongeren risicogedrag als zodanig leren herkennen, kunnen aangeven wat de negatieve consequenties ervan zijn, het gedrag openlijk veroordelen en gedragsalternatieven aanleren. Deze doelen worden bewerkstelligd door jongeren elkaar te laten interviewen, scenario's te laten bedenken en op basis hiervan films te laten maken. In verschillende pilots zijn de films (met de uitgespeelde scenario's) vervolgens vertoond in de klassen waarin de jongeren zitten, waarmee de jongeren die aan het project hebben deelgenomen zich nog meer commiteren aan de doelen die in het project worden nagestreefd. De eerste ervaringen met het project zijn positief; zowel de leiders als de deelnemers zijn enthousiast en jongeren geven aan minder bereid te zijn om risicogedrag uit te voeren. Of dit effect standhoudt, zal nader onderzocht worden. Inmiddels heeft Verslavingszorg Noord Nederland interesse getoond en wordt overlegd of de interventie op andere plaatsen en voor andere (beginnende) problemen ingezet kan worden. Zie voor een filmpje van een van de pilots: http://www.stadjerstv.nl/index.php?option=com_movies&task=view&id=1207&Itemid=2  

  • Leefwereld van jongeren uit een krachtwijk
Uitgangspunt van dit onderzoeksproject was het in kaart brengen van de leefwereld van jongeren uit een krachtwijk. Professionals werkzaam bij een brede school die in de betreffende krachtwijk staat, gaven aan dat het op de basisschool nog redelijk goed gaat met 'hun kinderen', maar dat het in de overgang naar het VO dikwijls alsnog verkeerd gaat. Op de basisschool kunnen leerkrachten hun leerlingen binnenboord houden, maar eenmaal op het VO gaat het helaas vaak verkeerd. De vraag aan de werkgroep  was of de leefwereld van deze jongeren in kaart gebracht kon worden en of risicofactoren en beschermende factoren geïdentificeerd konden worden.
In totaal zijn er vier studies uitgevoerd: 

Studie 1
De eerste studie is uitgevoerd door mw. D. Petri (student Toegepaste Pychologie) in samenwerking met mw. A. Warris (jongerenwerker) en een stagiaire. De kwalitatieve studie onder jongeren die volgens betrokken professionals als 'risicojongeren' beschouwd konden worden (N = 12), gaf meer inzicht in de denkbeelden (zelfbeeld, toekomstbeeld, motivatie voor school, etc.) van deze jongeren. De resultaten van het onderzoek zijn op het VSNU congres 2010 door Petri gepresenteerd.
Studie 2
Deze studie had dezelfde opzet, maar is uitgevoerd onder een 'controle groep', (N = 20) om zo vergelijkingsmateriaal te vergaren. De studie is uitgevoerd door mw. I. Kamps en mw. N. Augustijn (studenten Sociaal Pedagogische Hulpverlening). Door de resultaten van beide studies met elkaar te vergelijken, hebben we meer inzicht in de specifieke problemen van de 'risicojongeren ' gekregen (voor de resultaten, zie de 'presentatie HSAO 2010').
Studie 3  & 4
De laatste twee (kwantitatieve) studies hadden als doel om 'veranderingen in de denkbeelden met het oog op de overgang van PO naar VO' vast te stellen en de voorlopige hypothesen die we op basis van de eerste twee studies geformuleerd hadden, te valideren onder een grotere groep jongeren (N = 42 en N = 29). Voor de resultaten van deze en de eerste twee studies, zie de 'presentatie Leefwereld Jongeren'
 
  • Schoolmotivatie en prestaties van brugklassers: Overeenkomsten en verschillen tussen vmbo'ers, havisten en vwo'ers 
Zijn VMBO'ers minder gemotiveerd om schoolsucces te behalen dan havisten en vwo'ers? Hoe zien leerlingen van deze drie stromingen hun toekomst? Wat denken ze later te kunnen bereiken? Deze vragen staan centraal in het onderzoek 'schoolmotivatie van brugklassers' dat is uitgevoerd op het Rölingcollege in Groningen. Het onderzoek is onder supervisie uitgevoerd door mw. L. de Jonge (studente van de Pedagogische Academie). Een interessante bijkomstigheid bij dit onderzoek is dat we een 'sportklas havo' in het onderzoek hebben opgenomen. Zijn toekomstige sporters wellicht fanatieker en meer gemotiveerd om op school succes te behalen? 
  
  • Talentontwikkeling in het voortgezet onderwijs (VO)
Talentontwikkeling is momenteel een 'hot item' in onderwijsland. Niet alleen schieten honoursprogramma's in het HO als paddestoelen uit de grond, ook in het PO en VO worden programma's ontwikkeld om de talenten van kinderen en jongeren zo goed mogelijk tot hun recht te laten komen. Maar wat is 'talent'? De top 10% van de bevolking die ook wel 'hoogbegaafd' genoemd kan worden? Of gaat het om intra-individuele verschillen en is het belangrijk om er achter te komen wat het specifieke talent van een jongere is? Moeten zoveel mogelijk jongeren het hoger onderwijs in, of kan iemand die uitstekend hout kan bewerken ook als talentvol worden beschouwd? Wie bepaalt eigenlijk of iemand talentvol is?In dit project hebben we onderzocht wat verschillende partijen (PO, VO, HO, beleidsmakers, ouders en jongeren zelf) onder talent verstaan. Hiernaast is op scholen in het voortgezet onderwijs onderzoek gedaan naar de intra-individuele talentontwikkeling van jongeren. 

Afgeronde projecten voor 2010:

  • Self-Awareness
  • Wat is zelfbewustzijn? Hoe brengen onze hersenen dit bewustzijn tot stand? Wat zijn de gevolgen van zelfbewustzijn? Dit waren de centrale vragen in een driejarig onderzoeksproject dat ik uitgevoerd heb en dat geresulteerd heeft in een dissertatie. In het eerste hoofdstuk komt de huidige kennis aan bod die er is over hoe de hersenen (zelf)bewustzijn tot stand brengen ("the hard question in science"). Vervolgens wordt ingegaan hoe psychologen doorgaans het concept definiëren. In de volgende hoofdstukken staat empirisch onderzoek (vooral laboratorium experimenten) centraal waarin de effecten van zelfbewustzijn worden gedemonstreerd. Een van de boodschappen is dat je een onderscheid kunt maken in "public self-awareness" (bewustzijn van aspecten van jezelf die voor anderen waarneembaar zijn) en "private self-awareness" (bewustzijn van gedachten en gevoelens). In exact dezelfde situatie kan, afhankelijk van het deel van het bewustzijn dat geactiveerd is, geheel verschillend gedrag optreden.

  • On divergent thinking
Waarom is brainstormen in groepen doorgaans minder effectief dan een brainstorm die uitgevoerd wordt door de individuele leden zonder dat ze met elkaar in contact treden? Waarom zijn mensen in groepen doorgaans sowieso minder creatief dan ze alleen zouden zijn? Uit de literatuur komen veel verklaringen naar voren (o.a. production blocking, social anxiousness en conformance to norms). In dit onderzoek hebben we naar een alternatieve verklaring onderzoek gedaan: self-construal level theory. Deze theorie houdt in dat mensen verschillende niveaus van zelfrepresentatie hebben. Afhankelijk van de cultuur en de context kan een bepaalde 'self-construal level' geactiveerd zijn. Door middel van het activeren van verschillende zelfrepresentaties ("deel van een groter geheel" of "gericht op het individu") hebben we aangetoond dat een minimaal 'wij-gevoel' automatisch leidt tot minder unieke gedachten.

  • Effects of self-objectification
Als een man en een vrouw naar elkaar kijken, dan blijken er geheel verschillende processen op te treden. In dit onderzoeksproject is aangetoond dat als een man ziet dat een vrouw naar hem kijkt, hij meer gericht is op de vrouw dan op zichzelf. Vrouwen, daarentegen, zijn in een dergelijke situatie meer gericht op zichzelf dan op de man. Vrouwen nemen als gevolg hiervan een 'derde persoonsperspectief' op zichzelf in, wat ook wel 'objectificatie' wordt genoemd (en hebben overigens minder aandacht voor de man). Ze zijn in dit geval meer gericht op uiterlijke aspecten van zichzelf dan op hun gedachten en gevoelens. Deze vorm van zelfbewustzijn heeft als onmiddellijk effect zelfregulatie dat gericht is op uiterlijkheden en observeerbaar gedrag.

  • Effecten van stemming op abstract versus concreet denken
In dit onderzoeksproject is onderzocht wat de invloed van stemming is op abstract versus concreet denken en op 'globale percepties' versus 'lokale percepties'. Waar negatieve gevoelens doorgaans leiden tot concreet denken en lokale percepties, leiden positieve emoties tot abstract denken en globale percepties. Deze mindsets zijn dus van invloed op basisperceptie (letten we op het grote geheel of op de losse delen) en op het abstractieniveau waarop we denken.

  • Attention
Wat trekt automatisch de aandacht? Stel, je loopt een kamer in, waar let je dan op? Beweging speelt hierin een rol en kleur, maar ook de affectieve lading van hetgeen je bekijkt. Negatieve stimuli lijken automatisch de aandacht te trekken, maar dit lijkt (ook) afhankelijk te zijn van de emoties die je ervaart. Hiernaast spelen motieven die je hebt een rol. Al met al veel variabelen die van invloed kunnen zijn in wat je al dan niet in een omgeving opvalt.

  • Affect als communicatiemiddel: luisteren naar je gevoel
Het allereerste onderzoeksproject dat ik uitvoerde had als onderwerp emoties. Wat vertellen emoties je en luister je ernaar? De gedachte was dat onderliggend affect de werking van enkele bekende cognitieve theorieën zou kunnen verklaren en dus dat affect een veel grotere rol speelt dan de rol die het doorgaans in deze theorieën toebedeeld krijgt.